PROJECTPROGRAMMA MEERUITERDIJKSCHE- EN HORSTERMEERPOLDER
VAN DOELEN NAAR INRICHTINGSPLAN
GEBIEDSCOMMISSIE MEERUITERDIJKSCHE- EN HORSTERMEERPOLDER
VAN DE LANDINRICHTINGSCOMMISSIE
VOOR DE VECHTSTREEK
December 2001
Inhoudsopgave
|
Hoofdstuk |
Titel |
Pagina |
|
Projectplan Meeruiterdijksche- en Horstermeerpolder |
||
|
Inleiding |
3 |
|
|
1 |
Projectinhoud |
4 |
|
2 |
Doelstellingen en aanpak |
5 |
|
3 |
Voorwaarden |
9 |
|
4 |
Bedreigingen en kansen |
10 |
|
5 |
Werkzaamheden |
11 |
|
6 |
Organisatie en beheer |
14 |
|
Bijlagen bij projectplan |
||
|
1 |
Fasen project landinrichting Vechtstreek |
|
|
2 |
Plattegrond Horstermeerpolder- en Meeruiterdijkse polder |
|
|
3 |
Wandelpad |
|
|
4 |
Fietspad |
|
|
5 |
Belangrijke besluiten en nota’s |
|
|
6 |
Leden gebiedscommissie Meeruiterdijksche- en Horstermeerpolder |
|
|
7 |
Kaart buffer zoekgebied MER |
|
|
8 |
Hoogte kaart Vechtstreek |
|
|
9 |
Dieptekaart Horstermeerpolder |
|
|
Bijlage 1 |
Huidige situatie |
1 - 4 |
|
Bijlage 2 |
Communicatieplan |
1 - 8 |
Inleiding
Na de aanwijzing van de Noordelijke Vechtstreek als Strategisch Groenproject in het Structuurschema Groene Ruimte heeft de provincie Noord-Holland zich in 1994 met het vaststellen van het gebiedsperspectief uitgesproken over de doelstellingen voor de Vechtstreek. Voor de realisatie is tot een landinrichting besloten.
Op 8 februari 2000 heeft het college van Gedeputeerde Staten (GS) van Noord-Holland besloten tot het instellen van de Landinrichtingscommissie Vechtstreek (LC), die in maart 2000 is geïnstalleerd. Het traject van de Landinrichting Vechtstreek loopt tot 2013.
Het draagvlak voor landinrichting bleek vanwege de grote claims op landbouwgronden gering te zijn. Daarom is de Westelijke Land en Tuinbouw Organisatie (WLTO) gevraagd om visie op de landbouw in Vechtstreek. In 1996/1997 heeft de WLTO een agrarische gebiedsvisie voor de Vechtstreek opgesteld. Hierin wordt onder andere geconcludeerd dat maatwerk op polderniveau noodzakelijk is.
De Landinrichtingscommissie heeft daarop besloten een subcommissie, de gebiedscommissie Meeruiterdijksche- en Horstermeerpolder, een inrichtingsplan voor deze polders op te laten stellen. Hoewel de grootste opgave ligt in de Horstermeerpolder is de Meeruiterdijksche polder betrokken in het plangebied omdat er gedeelten van tracés van een gepland wandel- en fietspad in liggen. Daarnaast watert deze polder af op de Horstermeerpolder.
Dit is het projectplan van de gebiedscommissie Meeruiterdijksche- en Horstermeerpolder. Hierin staat hoe de opdracht, die in het raamplan van de Landinrichtingscommissie voor de Vechtstreek staat, wordt uitgevoerd; het is het "contract" tussen de landinrichtingscommissie (de opdrachtgever) en de gebiedscommissie (de opdrachtnemer). Dit plan markeert het einde van de definitiefase; hierna begint de gebiedscommissie met het ontwerpen (zie bijlage1: fasen project landinrichting).
Het projectplan is het ijkpunt voor opdrachtgever en –nemer en communicatiemiddel voor belanghebbenden bij de herinrichting van de Meeruiterdijksche- en Horstermeerpolder.
1. Projectinhoud
Het eindproduct van de gebiedscommissie is het inrichtingsplan voor de Meeruiterdijksche- en Horstermeerpolder.
De opdracht voor de gebiedscommissie is opgebouwd uit:
Samen beschrijven ze de dubbele doelstelling die er ligt voor de Meeruiterdijksche- en vooral de Horstermeerpolder namelijk én het realiseren van nieuwe natuur én het bijdragen aan herstel van het hydrologisch systeem rond het plangebied.
De gebiedscommissie ziet de bovenstaande opdracht als onderdeel van een groter geheel.
In het plangebied zijn nog vele andere functies van belang. Bijlage 1 geeft een beschrijving van de huidige situatie. Wonen, werken en verkeer zijn in de optiek van de gebiedscommissie wezenlijke onderdelen van de inrichting.
De gebiedscommissie heeft de volgende inrichtingsvisie:
"het realiseren van een inrichting voor de Meeruiterdijksche- en Horstermeerpolder waarin maatschappelijk relevante functies (realisatie van Ecologische Hoofd Structuur en uitvoering van het Waterhuishoudingsplan) worden geïntegreerd met andere aanwezige functies zodat een duurzame balans ontstaat tussen de verschillende belangen in het plangebied en haar omgeving"
De commissie staat een "open en zorgvuldige werkwijze voor gebaseerd op vrijwiligheid".
De gebiedscommissie zich bezighouden met de volgende activiteiten:
uitvoeren van dit projectprogramma en de daarin opgenomen Milieu Effect Rapportage (MER);
betrokkenheid bij het uitvoeren van een studie naar economische effecten in het Ruimtelijk Economisch Model (REM). Deze studie bepaalt de verschillen in maatschappelijke kosten en baten tussen de huidige inrichting en de toekomstige inrichtingsvarianten voor het gebied Meeruiterdijksche/ Horstermeerpolder. Deze studie is van belang voor de ondernemers (agrarisch en niet agrarisch) in de polder, maar berekent ook de effecten op de andere functies.
Het onderzoek is een pilot met een model dat door het Landbouw Economisch Instituut (DLO-LEI) is ontwikkeld. De definitieve besluitvorming over uitvoering van de REM moet nog worden genomen;betrokkenheid bij het uitvoeren van het "Spiegelproject". Dit project stimuleert de rol van water in de Ruimtelijke Ordening en is een opdracht van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Het gaat om de Overdiepsepolder in Noord-Brabant en de Horstermeerpolder. In de opdracht staat: "In goed overleg met bewoners, bedrijven en belangenorganisaties kunnen mogelijkheden worden verkend van een nieuwe inrichting van de polder waarmee de huidige problemen worden omgebogen in kansen". Dit kan binnen en buiten de huidige beleidskaders gebeuren. In juli 2001 is besloten tot een vooronderzoek dat loopt tot mei 2002.
De onderdelen 2 en 3 vallen (grotendeels) buiten de werksfeer van de Landinrichting, maar zijn met elkaar verweven en hebben sterke interacties met de opdracht van de LC. De gebiedscommissie wil nauwgezet op de hoogte blijven van deze activiteiten. Ze worden in dit projectplan niet verder uitgewerkt.
Dit projectplan beschrijft de doelstellingen en activiteiten tot de vaststelling van de MER en het inrichtingsplan door de LC in december 2002. Hierna kunnen de Milieu Effect Rapportage en voorkeursvariant door de provincie, het bevoegd gezag, worden vastgesteld.
2. Doelstellingen en aanpak
De gebiedscommissie concretiseert in dit hoofdstuk de opdracht en zet lijnen uit voor de uitvoering. De opdracht aan de gebiedscommissie bestaat uit 2 elementen.
De Landinrichtingscommissie heeft de gebiedscommissie gevraagd een inrichtingsplan te maken voor de Horstermeer- en Meeruiterdijksche polder. Zij heeft daartoe specifieke doelstellingen verwoord. Deze zijn uitgewerkt in de onderstaande rubriek A.
De provincie NH geeft in de richtlijnen MER met name aan welke hydrologische doelen er bereikt moeten worden. Dit is uitgewerkt in rubriek B.
2A. Opdracht Landinrichtingscommissie
2A.1. Natuur
In de nota "globale begrenzing" heeft de provincie vastgelegd dat er 250 hectaren nieuwe natuur in de Horstermeerpolder zullen komen. Daar zijn dan na de inrichting op 320 hectaren (250 hectaren nieuwe en 70 hectaren bestaand) natuur. Het streefbeeld is natte natuur. Dit leidt op korte termijn tot dotterbloemhooilanden. Door de vernatting komen er voorwaarden voor het herstel van bodemecosysteem door veenvorming. Dat leidt tot een grote botanische variatie met soorten als Holpijp, Beekpunge en Haarfonteinkruid die van zoete kwel afhankelijk zijn.
Verwacht wordt dat de vernatting zal leiden tot een versterking van het aantal moerasvogels zoals verschillende reigersoorten en rallen.
Wanneer in het inrichtingsplan de natuur wordt gerealiseerd in zeer natte (open water?) en meer droge percelen dan hebben de drogere percelen mogelijk nog een agrarische waarde. In dat geval ziet de gebiedscommissie perspectief in combinaties van het natuurbeheer door Natuurmonumenten en eventueel door particulieren en vormen van extensief agrarisch natuurbeheer;
2A.2. Recreatie en verkeersveiligheid
In het fiets- en wandelpadenplan Noordelijke Vechtstreek zijn voor de Horstermeer- en Meeruiterdijksche polder een nieuw wandel- en fietspad aangegeven. De kaartbeelden zijn opgenomen als bijlagen 3 en 4. De paden lopen voornamelijk over de, al dan niet verpachte, eigendommen van Natuurmonumenten, het Hoogheemraadschap AGV, Staatsbosbeheer en enkele particulieren.
In 2001 zal het recreatie- en verkeersplan verschijnen. Dit zal worden opgenomen in het inrichtingsplan voor de Horstermeer- en Meeruiterdijksche polder. De Middenweg is een doorgaande route voor gevaarlijke stoffen. Wanneer, in verband met de natuurlijke inrichting, wordt gekozen voor een verkeersluwe herinrichting van de polder – gericht op bestemmingsverkeer, dan zal een alternatieve route moeten worden gevonden.
2A.3. Landschap
, cultuurhistorie en archeologieDe LC beoogt in het algemeen het "versterken van de landschappelijke structuur en benutten van de huidige landschappelijke kwaliteiten …".
De opgave voor de Meeruiterdijksche- en Horstermeerpolder ligt in het behouden en ontwikkelen van de kwaliteiten van het gebied zoals:
Vanuit het Rijks project Belvedère wordt gewerkt aan het (weer) herkenbaar maken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De benadering die vanuit dit project wordt gekozen zal zoveel mogelijk landschappelijk worden ingepast. In ieder geval leidt dit tot het streven om het schootsveld van Fort Kijkuit – ook in de Horstermeerpolder - open te houden.
Uit het bodemkundig onderzoek dat wordt uitgevoerd kunnen locaties naar voren komen die archeologisch van belang zijn. In principe worden zulke locaties of aanwezige restanten behouden.
2A.4. Water en milie
uHet landelijk beleid ten aanzien van verdroging is gericht op het afnemen van het areaal verdroogd gebied in 2010 met 40% ten opzichte van de verdroging in 1985. In het provinciaal Waterhuishoudingsplan "Stilstaan bij stromen" wordt dit uitgewerkt in acties. Een van die acties is het realiseren van 250 hectaren natuur. Door deze "plas-dras" in te richten leveren ze een bijdrage aan het herstel van de natuurlijke kwel in de oostrand van de Vechtstreek.
Voor de uitvoering van de opdracht zijn de doelstellingen uit het Waterbeheersplan van het Hoogheemraadschap AGV, die in het Raamplan van de LC zijn opgenomen, uitgangspunt. Ze hebben betrekking op de vermindering van de inlaat van gebiedsvreemd water, de waterkwaliteit en uitbreiding van de mogelijkheden van waterberging in de Vechtstreek.
In het plangebied en directe omgeving voldoen na de herinrichting de waterbeheersing en –kwaliteit aan de eisen die worden gesteld aan de toekomstige functies in de polders. Die functies worden bepaald door de inrichting die wordt gekozen.
Nieuwe natuurgebieden die na 1 mei 1988 tot stand komen of zijn gekomen zijn niet aangemerkt als verzuringsgevoelig in de zin van de Wet Ammoniak en Veehouderij.
De bodemkwaliteit voldoet in het gebied aan het algemeen beschermingsniveau van de Wet Bodembescherming. De waterbodemkwaliteit verbeterde hoofdwaterlopen bestaat uit klasse 1 of 2, tenzij dit door gebiedskenmerken niet haalbaar is. Door de natuurlijke rijkdom aan arseen is het niet mogelijk om slib uit de polder elders te gebruiken; dit is een probleem.
Het inrichtingsplan mag niet aangegrepen worden om problemen in de directe omgeving op te lossen door grootschalig vervuilde bagger in de Horstermeerpolder aan te wenden.
Water en milieu liggen niet altijd in elkaars verlengde. Het regelmatig onder water zetten van gebieden heeft gevolgen voor de kansen van de natuur. Zo zijn de ecologische potenties van natte graslanden hoger dan van open water.
Het realiseren van permanent open water in de Horstermeerpolder kan ten koste gaan van de hoeveelheid natuurontwikkeling. De benodigde oppervlakte wordt dan onderdeel van de 250 hectaren nieuwe natuur
2A.5. Landbouw
Door de doelstelling van 250 hectaren nieuwe natuur verandert er in de polder voor de veehouders het meest. Een belangrijk gedeelte van de benodigde hectaren zijn nu in agrarisch bezit of gebruik.
De gebiedscommissie is unaniem van mening dat er ook in de Horstermeerpolder na de herinrichting ruimte voor veehouderij moet zijn. De veehouders zijn essentieel voor het landschap(sbeheer) – de commissie wil koeien in de wei zien!
Er is voldoende ruimte nodig voor een duurzaam economische bedrijfsvoering voor de boeren die blijven. De niet voor natuur ingerichte gronden houden de huidige, vaak agrarische, bestemming. De landbouwbedrijven die in het inrichtingsplan worden opgenomen moeten ook planologisch worden verduurzaamd door opname in het nieuwe bestemmingsplan van de gemeente.
Om daarvoor ruimte te vinden wordt er in eerste instantie ingezet op het uitplaatsen van die boeren die in de Horstermeerpolder land op afstand hebben en niet in de polder wonen. Dit moet worden bereikt door ruiling waardoor ze goede alternatieve gronden dichter bij hun huiskavels krijgen of door aankoop van deze gronden. In totaal gaat het in de Horstermeerpolder om circa 70 hectaren land op afstand.
Voor de boeren die in de polder blijven werken blijft veehouderij de belangrijkste bron van inkomsten. Na herinrichting zal er in de Horstermeerpolder anders gewerkt gaan worden. De agrarische bedrijven worden extensiever en combinaties met andere activiteiten leveren een bijdrage aan het inkomen. Dat betekent verbreding maar soms ook koppeling van extensieve met meer intensieve vormen van bedrijvigheid, zoals het melken van geiten of schapen.
Deze boeren leveren maatschappelijke prestaties, ze zijn belangrijk voor het landschap en de natuur in de polder.
Dat kan door:
Voor een aantal bedrijven kan verbreding van de bedrijfsvoering kansen bieden; het gaat dan om toerisme (Boerenkamers), recreatie, verkoop van streekproducten, het beheer van natuurterreinen of introduceren van een nieuwe bedrijfstak. Het bestemmingsplan van de gemeente moet deze verbreding mogelijk maken.
De Meeruiterdijksche polder blijft na de inrichting, buiten de woonkern Overmeer, agrarisch. Herinrichting van de twee polders samen kan in de toekomst leiden tot een betere verkavelingsstructuur.
Voor de overblijvende agrarische bedrijven die zijn opgenomen in het inrichtingsplan wordt er naar gestreefd dat:
2.A.6. Andere bedrijven
Binnen de Horstermeerpolder zijn er nog circa 100 niet agrarische ondernemingen werkzaam. Meestal zijn het kleine bedrijven met lichte industrie maar enkelen zijn erg groot (vervoer, opslag bouwmaterialen). Door de opzet van het bedrijventerrein Nieuw-Walden hebben veel ondernemers het bedrijf aan huis.
Voor deze bedrijven gelden dezelfde vragen over schade en overlast als voor de bewoners in de polder. behoud van de ondernemerskansen en de zorg over het onaantrekkelijk worden van de woon- en werkomgeving zijn belangrijk.
In de richtlijnen MER staat dat:
"Specifiek voor de Horstermeerpolder geldt dat als te onderzoeken gebied de gehele polder dient te worden aangehouden met uitzondering van een bufferzone ter grootte van 150 meter aan weerszijden van wegen met daaraan direct grenzende bebouwing (zie de kaart - bijlage 7)".
In deze bufferzone liggen nagenoeg alle bedrijven in de Horstermeerpolder. Hier zijn geen veranderingen in bestemming te verwachten. De directe gevolgen van de herinrichting van de polder zullen dan ook aan de bedrijfspercelen voorbijgaan.
2B. Startnotitie en Richtlijnen MER
Op de kaart die is opgenomen als bijlage 8 zijn de grote verschillen in hoogte te zien tussen het Gooi, de veenweide-polders en de droogmakerij Horstermeerpolder. De kaart die als bijlage 9 is opgenomen geeft de diepteligging van de Horstermeerpolder ten opzichte van zijn omgeving aan. Bij de herinrichting is de bijdrage aan het hydrologisch herstel van vooral de Ankeveense en Kortenhoefse plassen dan ook belangrijk.
Daartoe heeft de provincie 2 besluiten genomen.
De besluitvorming is geconcretiseerd in de Startnotitie en Richtlijnen MER. De startnotitie voor de MER dateert uit 1994. De richtlijnen zijn in juli 2001 door de provincie vastgesteld.
Het volgen van de MER-procedure betekent dat gebruik wordt gemaakt van verschillende alternatieven. Twee ervan zijn verplicht: de autonome situatie en het meest milieuvriendelijk alternatief (MMA).
In de Richtlijnen is daarover het volgende bepaald:
Voorts acht de provincie "het gewenst een referentiealternatief uit werken waarbij inzichtelijk wordt gemaakt wat de (milieu)effecten zijn indien de gehele Horstermeerpolder, inclusief woonbebouwing, onder water wordt gezet; dit om de vergelijkbaarheid en doelmatigheid van de te nemen maatregelen beter inzichtelijk te maken".
In de MER wordt gemotiveerd welk alternatief naar mening van de landinrichtingscommissie het meest geschikt is. Dit alternatief moet uitvoerbaar zijn. Bij de samenstelling ervan worden maatregelen aangegeven waarmee nadelige gevolgen voor het milieu worden voorkomen, beperkt of gecompenseerd. De keuze van de alternatieven wordt samen met de gebiedscommissie gemaakt en vastgesteld door de Landinrichtingscommissie.
3. Voorwaarden
Om deze ingrijpende doelstellingen te realiseren moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. De gebiedscommissie vraagt de Landinrichtingscommissie actief te onderzoeken of en in welke mate de hierna volgende voorwaarden kunnen worden gerealiseerd.
3.1.Schaderegeling
De gebiedscommissie wil inzicht in de volle breedte van de verwachte schade.
Daarnaast
Het is belangrijk voorafgaand aan de inrichting in een nulmeting de situatie vooraf goed vast te leggen en in overleg met de betrokkenen, desgewenst per perceel of gebouw, vast te stellen.
3.2. Milieubeperkingen
Door de veranderingen in het milieu van de polders komt er een andere verhouding tussen bewoning, bedrijvigheid en natuur. Vooraf moet worden gegarandeerd dat voor de bedrijven en bewoners geen extra milieubeperkingen gaan gelden, gebaseerd op bestaande wet- en regelgeving.
Aan nieuwe, nog te verschijnen, algemene wet- en regelgeving moeten ook de gebruikers en bewoners voldoen.
3.3. Waterbeheer
De functieveranderingen hebben grote hydrologische gevolgen. Tijdens de herinrichting zullen gronden van eigenaar of functie veranderen. Pas na de volledige herinrichting zal het definitieve waterbeheer worden gerealiseerd. Tussentijdse aanpassingen zijn mogelijk en zullen, wanneer ze geen schade voor de omgeving veroorzaken, worden uitgevoerd. De LC zal van geval tot geval de wenselijkheid hiervan beoordelen en een advies uitbrengen. Daarna zullen de verantwoordelijke bestuurders (bijvoorbeeld gemeente, Hoogheemraadschap, provincie en andere belanghebbenden zoals de grondgebruikers) worden gevraagd hiermee in te stemmen.
Daardoor zal het gebruik van percelen in de periode tot de definitieve herinrichting (in 2013) tussentijds veranderen en dus ook de wensen voor de waterhuishouding. Er moet in deze periode wel zo goed mogelijk rekening worden gehouden met de op dat moment aanwezige gebruiksfuncties zodat de zittende gebruikers, met name de ondernemers, zo min mogelijk in hun bedrijvigheid worden gehinderd. Voor eventuele geschillen dient hier de eerder genoemde nulmeting als referentie.
3.4. Garanties voor agrariërs
Om de agrarische gronden die voor de inrichting nodig zijn te kunnen verkrijgen:
Voor de boeren die blijven werken in de heringerichte polder:
4. Bedreigingen en kansen
De gebiedscommissie weet dat ze voor een moeilijke taak staat.
Enerzijds is er door een aantal generaties hard gewerkt en veel geïnvesteerd in de land- en tuinbouwkundige ontwikkeling van de polders. Er bevinden zich bloeiende melkveehouderijen en tuinderijen. In 1995 is door de overheden in de herziening van het bestemmingsplan besloten tot het inrichten van een bedrijventerrein voor verschillende soorten bedrijvigheid aan de Middenweg; daarin is veel geïnvesteerd. In de polder worden ook nu nog woningen en bedrijfsgebouwen geplaatst. Veel bewoners hebben hun huizen gerenoveerd of herbouwd.
De waterzuivering is nog niet volledig ontwikkeld.
Anderzijds heeft de overheid in 1991 besloten een groot areaal natuur te ontwikkelen. Recentelijk is er een groeiende belangstelling voor de polder vanwege de hydrologische eigenschappen. Dat leidt tot een grote bestuurlijke interesse voor de polder die echter nog niet tot besluitvorming heeft geleid.
De mensen die in de Horstermeerpolder wonen en werken maken zich zorgen over hun toekomst en wat de overheid nu eigenlijk wil met "hun" polder. Bij de bewoners is er veel scepsis over de deskundigheid en betrokkenheid van de overheid en haar onderzoekers.
De ontwikkelingen bieden ook kansen voor nieuwe activiteiten. Zo zijn bijvoorbeeld ontwikkelingen op het gebied van natuurbeheer door boeren, Natuurmonumenten en particulieren te combineren met recreatie en nieuwe woonvormen.
Het is de uitdaging voor de commissie om de – schijnbaar niet met elkaar te combineren – tegenstellingen om te zetten in een situatie waarbij door alle partijen wordt gewonnen.
5. Werkzaamheden
5.1. Milieu Effect Rapportage
De gebiedscommissie adviseert de LC over de herinrichting van de Meeruiterdijksche- en Horstermeerpolder. Bepalend hierin is het inrichtingsplan dat eind 2002 aan de LC wordt aangeboden. Dat wordt na vaststelling door de provincie N-H, het bevoegd gezag, door de LC uitgewerkt in modules waarin de uitvoering van dit plan wordt gefaseerd. Dit is gereed in 2004.
Het inrichtingsplan wordt opgesteld voor de Horstermeerpolder en de Meeruiterdijksche Polder (zie bijgevoegde kaart bijlage plattegrond). Het gebied is 720 hectaren groot (Horstermeerpolder 617 ha, Meeruiterdijksche polder 103 ha).
In figuur 1 is schematisch aangegeven in welke stappen tot een inrichtingsplan wordt gekomen.
Figuur: schema van doelen naar inrichtingsplan

Bij de beschrijving van de varianten wordt, zoals in de Richtlijnen is vastgelegd, ten minste aandacht besteed aan de onderstaande aspecten.
water en milieu
beplanting
Tijdens de oprichtingsbijeenkomst van de gebiedscommissie is de vraag aan de orde gekomen welke ruimte er is in de keuze van de inrichting. Uit de richtlijnen en de aanbiedingsbrief blijkt er ruime voor:
De gebiedscommissie zal een actieve rol nemen bij het samenstellen van de verschillende varianten die worden onderzocht en op hun effecten gewogen in het VoorOntwerpPlan-MER. Zij zal tevens inbreng leveren uit haar deskundige achterban. Voor het opstellen van de VOP-MER fungeert de gebiedscommissie als begeleidingsgroep. Zij adviseert de LC over de scenario’s en spreekt haar voorkeur hierover uit.
5.2. Recreatie
De gebiedscommissie zal onderzoeken of er meer recreatieve voorzieningen kunnen worden ingepast. Daartoe zal in het najaar met de achterban worden overlegd naar wensen en mogelijkheden en de kansen voor de regionale economie, nu en in de toekomst.
De uitkomsten hiervan worden besproken met het bureau dat de MER opstelt en ter kennis gebracht van de LC.
5.3. Landschap
De gebiedscommissie zal de globale inrichtingsvisie van de LC verder uitwerken in een ruimtelijke deelvisie waarin wordt gestreefd naar:
De deelvisie wordt voorafgaand aan de MER studie opgesteld en besproken met het MER bureau. DLG zal dit proces begeleiden als onderdeel van het landschapsplan Vechtstreek.
5.4. Landbouw
Er wordt ingezet op een duurzaam perspectief voor veehouders met opvolging en huiskavel in de Horstermeerpolder. Voor deze bedrijven moeten maatwerk-oplossingen gezocht worden voor hun toekomstige bedrijfsvoering. Het grootste deel van het inkomen blijft uit agrarische activiteiten komen. Aanvulling kan komen uit verbreding van de activiteiten, combinatie met andere werkzaamheden (beheer natuurterreinen, recreatie) of het introduceren van een nieuwe tak. Hier kunnen planologische wensen uit voortkomen.
De gebiedscommissie wil onderzoek (laten) uitvoeren naar de inrichtingsopgave voor deze agrarische bedrijven. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van het recent door de WLTO uitgevoerde onderzoek (Hein de Graaf – 2000). Met de uitkomsten kunnen in het inrichtingsplan de goede omstandigheden voor bedoelde bedrijven gerealiseerd worden.
5.5. Communicatie
De landinrichtingscommissie zegt in haar raamplan: "er naar te streven de verschillende actoren (deelnemende en/of belanghebbende groepen en organisaties) te inspireren tot betrokkenheid bij het planvormingsproces. Deze betrokkenheid moet ertoe leiden, dat de actoren zich positief inzetten en medeverantwoordelijk voelen voor de totstandkoming van een breed gedragen plan (proces) en voor het eindresultaat (product)".
De gebiedscommissie wil met een grote mate van openheid, regelmatig met belanghebbenden overleggen. Lang niet alle discussies zijn tot nu toe (goed) gevoerd. De gebiedscommissie ziet een goede communicatie als randvoorwaardelijk voor het voldoen aan de opdracht.
De commissie heeft te maken met 3 "doelgroepen". Dat zijn de leden met hun specifieke achterban in de gebiedscommissie, de opdrachtgever (de LC) en de overige belanghebbenden. Om deze betrokkenheid te bereiken wordt gekozen voor een interactieve benadering. Dit betekent dat:
Veel aandacht is besteed aan de kenmerken van de verschillende betrokkenen en de manier waarop zij het beste kunnen worden benaderd. Hiervoor zijn een actorenanalyse, communicatiestrategie en –programma gemaakt. Deze zijn als bijlage 2 bij het projectplan gevoegd.
6. Organisatie en beheer
6.1. Organisatie
Het bevoegd gezag voor de Landinrichting Vechtstreek is Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland. Zij heeft de LC opgericht en opdracht gegeven voor herinrichting van (delen van) de Vechtstreek. Voor de uitwerking van de module Meeruiterdijksche- en Horstermeerpolder is de LC opdrachtgever; de opdrachtnemer is de gebiedscommissie. Als gedelegeerd opdrachtgever fungeert een lid van de LC, de voorzitter van de gebiedscommissie.
De gebiedscommissie, die op 31 oktober 2000 is opgericht, kent 13 leden en is als volgt opgebouwd:
De personele invulling van de gebiedscommissie bij de oprichting is opgenomen in bijlage 6.
6.2. Relatie tot de LC
De Landinrichtingscommissie is opdrachtgever en als zodanig verantwoordelijk voor de definitieve besluitvorming over het inrichtingsplan. De gebiedscommissie Horstermeerpolder, een subcommissie van de LC, is in formele zin opdrachtnemer. Ze is verantwoordelijk voor de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van het opstellen van een inrichtingsplan. Tevens adviseert zij de LC bij besluitvorming. De GC geeft de LC niet alleen inzicht in de voortgang, maar ook over de mate van draagvlak en de gevolgen voor belanghebbenden.
De sub-commissie vraagt de Landinrichtingscommissie om instemming bij de volgende onderdelen:
Als de sub-commissie meent dat het voor de voortgang en de kwaliteit van het plan noodzakelijk is dat er onderzoek plaatsvindt, wordt de LC daarvoor om instemming gevraagd.
6.3. Beheer
De Dienst Landelijk Gebied:
Voor de periode tot 2002 zullen door DLG circa 500 mensdagen worden ingezet die nodig zijn voor realisatie van dit projectplan. Zowel in 2001 als 2002 zijn daarvoor 250 dagen beschikbaar. Voor de kosten die worden gemaakt voor communicatie, externe studies/onderzoek en bijeenkomsten van de gebiedscommissie is voor 2001 ¦ 60.000,- beschikbaar. Dit is exclusief eventuele meerkosten voor het inhuren van capaciteit ten behoeve van de MER.
Overzicht werkzaamheden gebiedscommissie Meeruiterdijksche- en Horstermeerpolder
tot het vaststellen van het inrichtingsplan
|
Activiteit |
Tijd |
|
5.1. Milieu Effect Rapportage |
|
|
ideeënstroomdag MER |
06/2001 |
|
onderzoek naar effecten, vergelijking scenario’s |
|
|
schrijven VOP-MER |
|
|
besluitvorming Voorontwerp door LC en ter inzage legging |
|
|
inspraak en advisering |
|
|
verwerken inspraak en aanpassen MER en voorontwerp |
|
|
aanbieden MER en concept-inrichtingsplan aan LC |
|
|
vaststellen plan door LC en aanbieding aan provincie |
12/2002 |
|
5.2. Recreatie |
|
|
inventarisatie wensen en mogelijkheden |
|
|
5.3. Landschap |
|
|
Opstellen deelvisie |
|
|
|
|
|
5.4. Landbouw |
|
|
Onderzoek inrichtingsopgave landbouw |
|
Bijlagen
Fasen project Landinrichting Vechtstreek
Bijlage 1: fasen project landinrichting Vechtstreek

Bijlage 2. Plattegrond

bijlage 3: Wandelpaden

Bijlage 4. Fietspaden

Bijlage 5. Besluiten en nota’s
|
Besluiten |
Van |
Jaar |
|
Nota globale begrenzing |
Provincie NH |
1992 |
|
Gebiedsperspectief Vechtstreek |
Provincie NH |
1994 |
|
Stilstaan bij stromen: waterhuishoudingsplan2 |
Provincie NH |
1997 |
|
Streekplan Gooi en Vecht |
Provincie NH |
1998 |
|
Structuurplan Groene Ruimte |
Ministerie van LNV |
1998 |
|
Akkoord op hoofdlijnen |
Agenda-cie Vechtstreek |
1999 |
|
Fiets- en wandelpadenplan |
Provincie NH |
1998 |
|
Bestemmingsplan |
Gemeente |
1983 herzien 1995 |
|
Plan van aanpak voor de herinrichting van de Vechtstreek |
DLG |
1999 |
|
Waterbeheersplan Amstel, Gooi en Vecht |
Hoogheemraadschap AGV |
2000 |
|
Raamplan Vechtstreek (ontwerp) |
Landinrichtingscie Vechtstreek (LC) |
2001 |
|
Nota’s en onderzoeken |
||
|
Natuur van het zuiverste water (deel 2) |
Natuurmonumenten |
1995 |
|
Waterhuishoudkundige herinrichting Horstermeer |
Provincie |
1995 |
|
Agrarische gebiedsvisie |
WLTO |
1997 |
|
Historisch geografisch onderzoek Vechtstreek |
DLG/Nieuwland |
1998 |
|
Verkeersonderzoek (fasen 1 en 2) |
LC |
1999 |
|
Actief Waterbodembeheer Horstermeer |
DWR |
2000 |
|
Risico’s arseenbelasting in Noord-Holland |
Provincie |
2000 |
|
Informatief: |
||
|
Casestudies duurzaam waterbeheer |
Rathenau instituut |
2000 |
Bijlage 6: Leden van de gebiedscommissie Horstermeer van de Landinrichtings- commissie voor de Vechtstreek
Organisatie/functie Naam
Landinrichtingscommisie/Voorzitter J(oost) Schepel
Dienst Landelijk gebied/Secretaris G(eert) Meeuwissen
Westelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (Meeruiterdijksche polder) E(gbert) van de Berg
Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht/DWR A(lko) Bolding
Agrarische natuur- en Landschapsvereniging "de Vechtvallei" G(ert) van de Broek
Bewonersvereniging Horstermeerpolder L (een) vd Broek
Provincie Noord-Holland J(os) van Brussel
Gemeente Nederhorst den Berg B(ert) Nagel
Ondernemersvereniging Nederhorst den Berg L(eo) Hagen
Natuurmonumenten I(nge) Mes
Milieufederatie Noord-Holland L(eny) Reddingius
Westelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (Horstermeer polder) E(dward) Voshaart
Bewonersvereniging Horstermeerpolder M(artin) Vuyk
Bijlage 7: Kaart buffer zoekgebied MER

HUIDIGE SITUATIE
- BIJLAGE 1 -
BESCHRIJVING MEERUITERDIJKSCHE- EN HORSTERMEERPOLDER
ten behoeve van het projectplan van de gebiedscommissie van de Landinrichtingscommissie Vechtstreek
December 2001
Oorsprong Horstermeerpolder
Al in 1612 zijn de eerste activiteiten tot inpoldering gedaan maar in 1636 wordt de polder vanwege de oprukkende Spaanse troepen weer aan het water prijs gegeven. Uiteindelijk is in 1882 de polder drooggemalen. Frederik van Eeden koopt een gedeelte van de polder in 1902 voor het stichten van een "kolonie de Nieuwe Harmonie" die mensen van buiten (Friezen, Groningers, West-friezen) aantrekt. Er ontstaan particuliere tuinbouwbedrijven en vanaf 1924 doet de veehouderij zijn intrede.
Als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie is de polder in WO-1 een keer en in WO-2 twee keer (1940 en 1945) onder water gezet.
Ruimtelijk beleid
Uit het Streekplan Gooi en Vechtstreek - provincie Noord-Holland - uit 1998
In het Streekplan worden de polders aangemerkt als agrarisch gebied van bijzondere betekenis voor natuur, landschap en bodem. Natuurgebied is er in de zuid-oost hoek van de Horstermeerpolder. Tevens zijn de woningbouwkernen in Overmeer en de Horstermeerpolder en het in 1997 aangelegde bedrijventerrein Nieuw-Walden aangegeven. Het zuidelijk gedeelte van de polder is stiltegebied en (gedeeltelijk) bodembeschermingsgebied. Indicatief zijn 2 locaties voor natuurbouw opgenomen.
Het plangebied is onderdeel van het Groene Hart.
Een streekplan geeft in het structuurbeeld een doorkijk voor de volgende Streekplanperiode, dus na 2010. Hierin worden de polders deels aangemerkt als "natuurkerngebied" en deels in "landbouwgebied in een natuurkern" met moerasvorming en open water of een randmeer.
Maatregelen die de verdroging tegengaan leiden tot "de aanleg van natuur aan de randen van de Horstermeerpolder. Dit gaat gepaard met een verhoging van het grondwaterpeil".
Uit het Bestemmingsplan buitengebied - gemeente Nederhorst den Berg
(toelichting uit 1985 – partieel herzien in 1993 i.v.m. het bedrijventerrein)
Het bestemmingsplan noemt de polder gemengd van karakter. Het gedeelte ten westen van de Westertocht is agrarisch en open. Tussen de Tochten is het zuidelijk gebied open en het noordelijke verstedelijkt. Het gedeelte ten oosten van de Oostertocht wordt als lintbebouwing met beperkte openheid getypeerd. Uitgangspunten van het bestemmingsplan zijn behoud van openheid, oplossen van de verkeersproblematiek en terughoudendheid ten aanzien van niet-agrarische activiteiten. Gekozen wordt daarom voor "een ontwikkeling waarbij de polder zoveel mogelijk groen blijft, ook bij afname van de agrarische activiteiten".
Er wordt ingezet op versterking van de positie van landbouwbedrijven door schaalvergroting. Bedrijven "met schone activiteiten" kunnen binnen de Tochten op het bedrijventerrein "Nieuw –Walden" verder ontwikkelen; buiten de Tochten zijn er slechts beperkte mogelijkheden. Daar mogen ook geen kassen worden uitgebreid.
Om de kansen voor de natuur te vergroten wordt gepleit voor een "soort beheerslandbouw". Daarbij zou een natuurlijker beheer van de ringdijk de waarde van dit ook cultuurhistorisch belangrijke element doen stijgen. De dijken en kaden in het Hollands-Utrechtse polderlandschap zijn van oudsher vrij toegankelijk, een traditie die gehandhaafd dient te worden.
Waterhuishoudkundig
De Meeruiterdijksche polder ligt 1 tot 1,5 meter hoger dan de Horstermeerpolder en watert daarop af. Midden in de Horstermeerpolder is een kwadrant omgeven door een hoofdwatergang, de Tocht, die is aangelegd om de waterhuishouding in de polder te optimaliseren. Hieruit kan apart water worden weggemalen naar de Vecht.
Het peilbesluit voor de Horstermeerpolder dateert van 10 februari 1960 met een niveau van Nieuw Amsterdams Peil (NAP) –3.45 meter. Voor een klein gedeelte van de natuurlijke terreinen is een ontheffing op de keur gegeven. Voor de Meeruiterdijksche polder is net een nieuw peilbesluit vastgesteld waarin het oppervlaktewaterpeil is bepaald op NAP –2.22 voor het landbouwkundig gebied.
De natuurgebieden in de Gooi- en Vechtstreek zijn ernstig verdroogd. Hierdoor is er een tekort aan gebiedseigen water waardoor gebiedsvreemd en minder geschikt water uit de Vecht of het IJsselmeer moet worden ingelaten. Uit de Horstermeerpolder wordt vanwege de lage ligging ten opzichte van de omgeving veel water uitgeslagen, 30 miljoen m3 per jaar. Uit verschillende hydrologische studies blijkt dat water via de ondergrond vooral uit de Ankeveense en Kortenhoefse plassen komt en daarmee aantoonbaar bijdraagt aan de verdroging van deze gebieden.
In het waterbeheersplan van het Hoogheemraadschap AGV zijn voor dit gebied 2
functies benoemd:
1. Agrarisch grasland met natte natuurwaarden voor zowel de Horstermeer- als
de
Meeruiterdijksche polder
Hier zijn de eisen uit oogpunt van duurzaam agrarisch gebruik in beginsel
richtinggevend.
Behoud van de natuurwaarden en beperking van de drooglegging zijn
randvoorwaardelijk;
2. Natuur in de Horstermeerpolder
Hier zijn peilbeheer en waterkwaliteit afgestemd op de ecologische doelen.
Bebouwing
In het plangebied in de Meeruiterdijksche polder is een gedeelte van de woonkern Overmeer opgenomen. In de Horstermeerpolder is er lintbebouwing langs de Middenweg en een woonkern binnen de Tocht. Hier ligt ook het bedrijventerrein "Nieuw Walden", waar wonen en werken zijn gecombineerd. Er staan ruim 250 woningen. Naar schatting wonen er 800 mensen en er zijn ruim 300 grondeigenaren.
Er zijn ruim 100 bedrijven in de Horstermeerpolder, waarvan circa 70 niet-agrarisch. Daarbij speelt transport een belangrijke rol.
In de hele polder zijn veel bouwactiviteiten. Het bestemmings- en streekplan bieden hier ruimte voor. Bij bouw wordt geen rekening gehouden met de wens om de waterstand in de toekomst te verhogen.
In de polder zijn nog andere functies van belang. De radiocontrole dienst heeft er zijn gebouwen en ontvanginstallatie en er staan schotels ten behoeve van satelietverbindingen.
De Dienst Water en Riolering heeft er een waterzuivering die een groot werkingsgebied in de oostelijke richting heeft, tot Hilversum. Het restwater wordt geloosd op de Vecht. Er zijn plannen om op wat langere termijn het water nog verder te zuiveren.
Agrarisch gebruik
De Meeruiterdijksche polder is buiten de woonkern Overmeer een agrarische polder waar enkele veehouders hun bedrijf hebben. De grond heeft een goede agrarische waarde en ontwatering.
Zo’n 60% van de gronden in de Horstermeerpolder wordt agrarisch gebruikt. De grond in de Horstermeerpolder is wisselend van samenstelling en kwaliteit. In de polder zijn 11 veehouderijen; 5 ervan hebben er hun huiskavel. Voor de anderen is het land op afstand. Op een aantal bedrijven is een opvolger aanwezig. In 6 glastuinbouwbedrijven worden bloemen en planten gekweekt. Daarnaast zijn er een tuincentrum, en boomkwekerij en een vollegrondsgroenteteeltbedrijf.
Een aantal veehouders doet mee met het vrijwillig agrarisch natuurbeheer gericht op botanisch (slootkanten-) beheer.
8 Bewoners hebben een agrarisch bedrijf in deeltijd. Veel bewoners in de polder houden als "hobbyboer" ook wat vee.
Natuur, recreatie en verkeer
De Horstermeerpolder is een redelijk weidevogelgebied en kent behoorlijke oppervlakten riet en ruigtes. De Meeruiterdijksche polder bestaat grotendeels uit bloemrijke graslanden.
In het zuiden en zuidoosten van de Horstermeerpolder zijn circa 160 hectaren land in het bezit van Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer. Onderdeel van dit eigendom zijn 70 hectaren natuur die in het verleden aan Domeinen toebehoorden.
De gronden zijn deels langjarig verpacht aan boeren. De Horstermeerpolder is, met name in het middengedeelte, onderhevig aan zoute/brakke kwel en daardoor komen er zoutminnende planten voor. Het zoutgehalte van de kwel is in de loop der jaren gedaald.
Op de meer natuurlijke terreinen wordt vernatting nagestreefd. In deze hooi- en rietlanden komen dotterbloemen en orchideeën voor.
In het plangebied zijn er 3 maneges werkzaam en daarnaast is er een tenniscomplex.
De Middenweg is een belangrijke doorgaande verkeersweg voor uitgaand verkeer uit Nederhorst den Berg e.o., het is tevens een route voor gevaarlijke stoffen. De verkeersveiligheid is een punt van aandacht.
In de polders zijn er slechts beperkte mogelijkheden voor recreatie. Er zijn geen doorgaande vrijliggende recreatieve routes.