|
Inleiding
Hoofdstuk 1: Waarom een Agendacommissie
Hoofdstuk 2: Opdracht Agendacommissie
Inleiding
In januari 1998 hebben Gedeputeerde Staten (GS) van Noord-Holland besloten om een Agendacommissie voor de inrichting van de Vechtstreek in te stellen. In deze commissie
zijn 12 leden benoemd (zie bijlage 1).
Het doel van deze startnotitie is:
-aan te geven waarom GS besloten hebben een Agendacommissie voor de
Vechtstreek in te stellen (hoofdstuk 1).
-duidelijkheid te verschaffen hoe de opdracht luidt die GS aan de commissie
geven (hoofdstuk 2).
Een ander doel is om met deze startnotitie de bij het inrichtingsvraagstuk betrokken partijen in de regio te informeren.
GS vragen de commissie dit document in de eerste vergadering te behandelen en als leidraad voor verdere werkzaamheden te hanteren.
Hoofdstuk 1 Waarom een Agendacommissie inrichting Vechtstreek?
Aanleiding
In 1988 is door de drie samenwerkende landbouworganisaties (3 HLO'S) aan de Minister van LNV gevraagd om voor de Vechtstreek landinrichting in de vorm van 'herinrichting' in voorbereiding te nemen.
In de Zienswijze, die vervolgens door de Centrale Landinrichtingscommissie is opgesteld, werd geconcludeerd, dat de provincie -alvorens de Minister over kon gaan tot plaatsing op het Voorbereidingsschema Landinrichting- duidelijkheid diende te verschaffen over het beleid aangaande natuur, recreatie en waterhuishouding in de Vechtstreek.
In 1994 hebben GS zich met het vaststellen van het Gebiedsperspectief, een integrale op uitvoering gerichte ontwikkelingsvisie, uitgesproken over de doelstellingen voor de inrichting van de Vechtstreek. In de 'Projectnota landinrichting Vechtstreek' is geconcludeerd dat "Herinrichting met vereenvoudigde wijze van voorbereiding het beste 'instrument' is om de gebiedsgerichte doelstellingen te realiseren. Partijen zoals de Centrale Landinrichtingscommissie (CLC) en de Ministers van VROM en LNV hebben zich aan het Gebiedsperspectief en de Projectnota geconformeerd.
omhoog
Een meningspeiling onder de agrarische ondernemers in september 1994 leerde dat bij een meerderheid geen vertrouwen bestond in de herinrichting Vechtstreek. Uiteindelijk heeft dit in december 1994 geleid tot het formeel intrekken door de 3 HLO's van de aanvraag voor landinrichting. GS hebben in dezelfde periode zelf herinrichting aangevraagd, omdat het instrument landinrichting goede mogelijkheden biedt om door een onderling samenhangende verbetering van inrichtingsfactoren de functies in de Vechtstreek beter tot hun recht te laten komen.
Op advies van de CLC besloot de Minister van LNV het gebied de Vechtstreek te plaatsen op het Voorbereidingsschema Landinrichting van 1994. GS hebben vervolgens in januari 1995 de startnotitie m.e.r. in procedure gebracht. Dit heeft geleid tot een advies van de commissie MER over de richtlijnen van het MER.
Er hebben zich ontwikkelingen voorgedaan die voor GS de aanleiding vormen om de bovenbeschreven ingeslagen weg ter discussie te stellen.
1 Gebrek aan draagvlak voor grootschalige herinrichting
GS constateerden dat er een gebrek aan draagvlak was voor de voorgenomen grootschalige herinrichting bij een van de belangrijkste partijen die hierbij betrokken is, namelijk de landbouw. Hoewel het opstellen en goedkeuren van een ontwerp landinrichtingsplan tot de bevoegdheid van het colleqe van GS behoort, heeft de provincie voor een weg gekozen waarbij zoveel mogelijk alle partijen betrokken kunnen zijn bij de totstandkoming van dit plan.
Zo in de winter van '96/'97 is door de WLTO de 'Agrarische gebiedsvisie voor de Vechtstreek' opgesteld. In deze visie concluderen de agrariers, dat voor de gesignaleerde knelpunten
geen grootschalige herinrichting nodig is. Volgens de agrariërs is maatwerk op polderniveau noodzakelijk om tot oplossingen te kunnen komen.
omhoog
2 Herijking Landinrichting
De kern van de herijkingsoperatie die door LNV wordt uitgevoerd is, dat het instrument landinrichting ais het ware een soort gereedschapskist wordt. Per (deel)gebied kan hieruit het meest geëigende gereedschap gekozen worden. Hierdoor wordt het mogelijk om bepaalde onderdelen uit de landinrichtingswet, al dan niet in combinatie met andere inrichtingsmaatregelen, te benutten voor het oplossen van inrichtingsproblemen.
Om de flexibiliteit van landinrichting te verhogen kan voor een procesmatige aanpak gekozen worden met thematische- of territoriale deelplannen (modules). De wijze van besluitvorming wordt met betrokken actoren overeengekomen. Door deelprojecten uit te voeren zodra deze gereed zijn en er voldoende draagvlak voor is, wordt versnelde uitvoering bereikt. Gestart kan worden met uitvoering zonder dat een totaal integraal landinrichtingsplan door GS wordt vastgesteld. Instemming van alle betrokkenen over het plan, de financiering en de regeling van het beheer en onderhoud (evenals een adequate planologische regeling) is dan wel randvoorwaarde.
3 Reeds in uitvoering zijnde projecten
In de Vechtstreek is (of komt binnenkort) een groot aantal projecten in uitvoering die van invloed zijn op de fysieke inrichting van het gebied. Het gaat daarbij om projecten, die voortvloeien uit de doelstellingen zoals verwoord in het Gebiedsperspectief. Een aantal hiervan staan in nauw verband met de herinrichting.
In dit verband kunnen onder meer de volgende projecten worden genoemd:
- Het nemen van peilbesluiten door het HAGV en de uitvoering middels waterbeheersingsplannen;
- Aanleg van fiets- en wandelpaden;
- Diverse kavelruilen;
- Grondverwerving;
- De begrenzing en de inrichting van reservaten en natuurontwikkelingsgebieden.
GS van Noord-Holland concluderen, dat er ad hoc veel tot uitvoering aan het komen is in de Vechtstreek, maar dat een verdere verbetering van de afstemming van lopende en nieuwe ontwikkelingen mogelijk is.
omhoog
4 De veranderende rol van de provincie
Naast het formuleren van beleid en doelstellingen wil de provincie ook een actieve rol vervullen bij het realiseren van deze doelstellingen op projectniveau. De provincie heeft daarbij niet de pretentie om 'top-down' 'kant- en klare' oplossingen te presenteren voor problemen. Zij wil graag in overleg met de regio tot voorstellen voor oplossingen komen. De provincie heeft er veel voor over om de regio daartoe in staat te stellen en neemt dan ook het initiatief om dergelijke samenwerking op te starten. De provincie heeft daarbij oog voor de samenhang tussen de ontwikkelingen en inzet van het totale instrumentenpakket, dat de overheden beschikbaar hebben voor het inrichten van het landelijk gebied.
Hoofdstuk 2 Opdracht Agendacommissie
De taak van de Agendacommissie is het opstellen van een breedgedragen Plan van Aanpak voor de inrichting van de Vechtstreek. In dit Plan van Aanpak wordt een voorstel gedaan waarmee de in de 'Projectnota landinrichting Vechtstreek' ingeslagen weg ter discusie gesteld kan worden: namelijk als een alternatief voor het totale herinrichtingsplan. Aan de hand van het Plan van Aanpak kunnen Gedeputeerde Staten van Noord-Holland een weloverwogen keuze maken voor een doelgerichte, doelmatige en doeltreffende aanpak en is een document voorhanden waarmee verantwoording kan worden afgelegd inzake deze keuze. Met de nieuwe aanpak moeten dezelfde inhoudelijke resultaten bereikt kunnen worden als via de met de Projectnota ingeslagen weg.
Zo zal uiteindelijk zoveel mogelijk een totaal overzicht van knelpunten, oplossingsrichtingen, kosten en kostendragers moeten resulteren, van waaruit het mogelijk is tot een goe de prioriteitsstelling te komen. Daarnaast moeten ook de gebruiksmogelijkheden van het te kiezen instrumentarium voldoende breed blijven. Zo zal ook -indien dit noodzakelijk is- de aanpak de mogelijkheid bieden om instrumenten met een dwingend karakter toe te passen.
omhoog
Beleidsinhoudelijke vertrekpunten:
In de Vechtstreek is geen sprake van een blanco situatie. Inhoudelijk vertrekpunt voor GS is het Gebiedsperspectief voor de Vechtstreek dat in 1994 is vastgesteld. Dit beleid is sedertdien verder uitgekristalliseerd en genuanceerd door:
-Het provinciaal standpunt over de uitkomsten van de studie 'Waterhuishoudkundige herinrichting Horstermeerpolder'
-het besluit van GS over het ontwerp 'Fiets- en wandelpadenplan voor de noordelijke Vechtstreek'.
-Het provinciaal standpunt m.b.t. 'de agrarische gebiedsvisie voor de
Vechtstreek' zoals verwoord in de brief van GS aan de WLTO dd 26 september 1997. In deze brief worden op onderdelen randvoorwaarden geschetst en marges aangegeven waarbinnen een aantal inhoudelijke punten uitgewerkt kan worden.
-Ontwikkelingen over de situering van het bos/recreatiegebied in de Vechtstreek zoals opgenomen in het ontwerp-streekplan Gooi en Vechtstreek dat op 16 december 1997 is vastgesteld.
Opdracht Agendacommissie
1 Inhoud plan van aanpak
In het plan van aanpak voor de inrichting van de Vechtstreek worden de contouren bepaald van het werk dat nog moet gebeuren en wordt vastgelegd door wie, wanneer en hoe dat het best gedaan zou kunnen worden.
1 In welke onderscheiden onderdelen kan het werk aan de inrichting van de
Vechtstreek ("modules en fasen") uiteen worden gelegd?
Doel is, dat overeenstemming ontstaat over de verschillende te onderscheiden onderdelen van het werk aan de inrichting Vechtstreek die als min of meer afzonderlijke sporen in de toekomst zullen worden opgepakt en uitgewerkt. Daarbij is het ook denkbaar dat een module weer uit enkele min of meer samenhangende clusters werk bestaat.
2 Hoe worden de onderscheiden onderdelen op hoofdlijnen uitgewerkt.
- wat is het beleidsmatige vertrekpunt (doel) van elk der modules;
- wat is de relatie met andere modules (niet alleen inhoudelijk maar ook in de tijd);
-op welke wijze wordt de zorgvuldigheid en de rechtszekerheid gewaarborgd,
zodat participatie van belanghebbenden mogelijk is;
- wie is de trekker, wie zijn de andere belanghebbende deelnemende partijen en
wat is hun rol en wie voert secretariaat;
-zijn er nog andere mogelijke kostendragers voor de beoogde oplossingen in de regio?
Het streven is om de verschillende kostendragers om de knelpunten in het gebied op te lossen optimaal te bundelden. Het is zinvol om het werktraject uit te lijnen rekening houdend met de verschillende voorwaarden en procedures die de verschillende kostendragers met zich meebrengen. Daarbij wordt opgemerkt, dat gewaakt moet worden om teveel aan elkaar te knopen, omdat dit een versnelde uitvoering kan frustreren. Het motto van GS is: 'sectoraal waar mogelijk (geregeld vanuit een integrale optiek); integraal waar noodzakelijk'.
omhoog
2 Regelen organisatorische context overzicht van de werkzaamheden
1 -de organisatorische aspecten dienen voldoende te zijn geregeld. Hierbij wordt
met name gedacht aan:
- wie kan financiële verplichtingen aangaan;
- wie is eindverantwoordelijke voor het opstellen en uitvoeren van een plan;
- wie is verantwoordelijk voor procedures inzake inspraak en beroep.
Daarbij is het de vraag of deze aspecten per module of voor het geheel
uitgewerkt zullen moeten worden.
2-De bestuurlijke afstemming en coördinatie dienen voldoende te zijn geregeld.
In het gebied functioneren meerdere bestuurlijke samenwerkingsverbanden. Een hiervan is de Stuurgroep Gebiedsperspectief voor het Gooi en de Vechtstreek die in 1994 is ingesteld.
Over de mogelijke werkzaamheden van deze Stuurgroep en de relatie ervan met het werk van de Agendacommissie c.q. een eventueel in de toekomst in te stellen Landinrichtingscommissie o.i.d. wordt een advies gevraagd aan de Agendacommissie. Over deze commissies en bestuurlijke verhoudingen ertussen is een voorstel opgenomen in bijlage 2; daarover wordt advies gevraagd.
Verwachtingen ten aanzien van de benoemde leden
De regio is in de agendacommissie breed vertegenwoordigd. Van de leden van de commissie verwachten GS dat zij hun achterban zullen consulteren om in de commissie hun belang voldoende te vertegenwoordigen. Voor het vinden van oplossingen op maat is het noodzakelijk dat de leden verder kijken dan het
belang van alleen hun eigen sector.
Proceskosten
Proceskosten en vacatiekosten komen voor rekening van het
voorbereidingskrediet landinrichting dat door de Dienst Landelijk Gebied wordt beheerd.
Voltooiing opdracht
Het Plan van aanpak dient uiterlijk 1 juli 1998 aan GS aangeboden te worden.
omhoog
|