" Risico's van de natuurlijke arseenbelasting in
Noord-Holland
".

gepubliceerd Haarlem, juli 2000, 300 exemplaren

Inhoud

Voorwoord
Risico's van de natuurlijke arseenbelasting in Noord-Holland
1 Inleiding
2 Hoe de natuurlijke arseenbelasting in Noord-Holland is ontstaan
3 Mogelijke risico's voor mens en dier
4 Arseen in consumptiegewassen en grassen in Noord-Holland
5 Discussie en conclusies

Voorwoord
Arseen is een stof die met name in de Vechtstreek van nature in hoge concentraties voorkomt. Om de mogelijke risico's voor mens en dier in beeld te krijgen is de provincie Noord-Holland een onderzoek gestart. Arseen roept bij veel mensen direct de gedachte aan rattengif op. In deze brochure worden de feiten zo goed mogelijk op een rijtje gezet. Constructief samenwerken van de provinciale afdelingen Water en Groen en Onderzoek, samen met de betrokken gemeenten, de Waren & Veterinaire Inspectie en de Vrije Universiteit hebben tot deze brochure geleid.
Ik hoop dat het lezen ervan uw vragen over dit onderwerp beantwoord.
Mw. Ada Wildekamp
Gedeputeerde Milieu, Water, Energie en Groen
omhoog

Risico's van de natuurlijke arseenbelasting in Noord-Holland
1 Inleiding
In opdracht van bureau Bodem, afdeling Water en Groen heeft de afdeling Onderzoek in samenwerking met de afdeling Ecologie en Ecotoxicologie van de Vrije Universiteit (VU) de risico's van de natuurlijke arseenbelasting in Noord-Holland onderzocht. Dit is de rapportage daarvan.
De reden voor dit onderzoek is dat uit eerdere onderzoeken blijkt dat arseen van nature voorkomt in een diepe grondlaag die in een vijf kilometer brede strook van Hoofddorp naar Ankeveen loopt.
Uit die bodemlaag kan het arseen met kwelwater opwellen en in het oppervlaktewater en de waterbodem terechtkomen. Wordt slib van de waterbodems op de kant gegooid, dan spoelt het arseen uit en komt het in de bovenste grondlaag.
Uit onderzoek van de VU blijkt dat bepaalde grassen zonder daar last van te hebben arseen in hoge concentraties uit de bodem kunnen opnemen. Als vee dergelijk gras eet kunnen de dieren arseen binnenkrijgen. Nog niet duidelijk is hoe consumptiegewassen reageren op de stof. Als ook die gemakkelijk arseen opnemen, kan er direct gevaar zijn voor de volksgezondheid.
Dit onderzoek beantwoordt de vraag hoe groot de risico's van de natuurlijke arseenbelasting in Noord-Holland zijn voor de gezondheid van mens en dier.
Deelvragen zijn:
. waar in het Noord-Hollandse milieu komt arseen voor en in welke concentraties?
· hoe kunnen mens en dier in contact komen met natuurlijk arseen?
· welke risico's lopen mens en dier?

Een belangrijke achtergrond hierbij is het onderscheid in verantwoordelijkheden tussen provincie en Veterinaire Inspectie. De provincie is behalve faciliterende instantie ook verantwoordelijk voor het functioneel gebruik van de bodem. Voor haar is het vooral belangrijk na te gaan of de arseenproblematiek het grondgebruik belemmert. Daarvoor is het genoeg de problemen globaal in te schatten. Zijn er grote risico's voor de volksgezondheid, bijvoorbeeld als mensen een moestuin hebben in overbelast gebied, dan kan de provincie het gebruik van velden voor consumptieteelt tegengaan.
De Veterinaire Inspectie daarentegen is verantwoordelijk voor aspecten van de volksgezondheid. Om precies vast te stellen hoe groot dat probleem is, heeft de Veterinaire Inspecteur meer gedetailleerde gegevens nodig. Dit rapport behandelt eerst het proces van de arseenbelasting. Daarna wordt uitgelegd hoe mens en dier in contact kunnen komen met de stof en wat dan de gevolgen zijn. Vervolgens wordt ingegaan op de resultaten van het onderzoek naar de arseenconcentraties in consumptiegewassen en grassen. Ten slotte worden de risico's voor mens en dier ingeschat, waarbij ook aangegeven wordt welke kennis nog ontbreekt.
omhoog

·2 Hoe de natuurlijke arseenbelasting in Noord-Holland is ontstaan
2.1 Het proces
Arseen komt van nature in een diepe bodemlaag voor: het basisveen. Het is daar waarschijnlijk terecht gekomen doordat zeewater de zoetwatergebieden binnendrong. Komt het basisveen in contact met zuurstof of nitraathoudend water dan kan het arseen, dat normaal gesproken in het basisveen aan ijzer gebonden is, oplossen in het grondwater en getransporteerd worden. Stroomt het grondwater omhoog tot aan de bovengrond (kwel) dan komt de stof aan de oppervlakte. Daar blijft het in het water zitten en bezinkt bijvoorbeeld in het bodemslib. Als beheerders de sloten schonen, gooien ze het slib meestal op de kant, of ze spuiten het uit over het aangrenzend weiland. Daar kan het arseen dan uitspoelen en de bodem vervuilen.
2.2 Noord-Holland
Het arseenhoudend basisveen in Noord~Holland ligt in een ongeveer vijf kilometer brede strook tussen Hoofddorp en Ankeveen. Onderzoek in de jaren 1995-1997 in met name de Horstermeerpolder wees uit dat de arseenconcentraties in de bodem vele malen (tot 15x) hoger kunnen zijn dan de interventiewaarden (55 mg/ kg droge stof). De interventiewaarde is de concentratie waarboven de grond in principe gesaneerd moet worden. Deze waarde houdt rekening met gezondheidsrisico's. Ook bleek dat de arseen~ gehalten in de bodem afnamen van de slootkant naar het midden van het weiland. Tot ongeveer tien meter van de slootkant waren ze verhoogd. Dat is niet uniek voor Noord-Holland. Ook in Oost- en Zuid-Nederland komen in het grond~ water van ijzerrijke gebieden verhoogde arseenconcentraties voor.
omhoog

3 Mogelijke risico's voor mens en dier
3.1 Wat is arseen en wat zijn de gevolgen van te hoge
concentraties voor mens en dier?

Arseen is een metaalachtige stof. Komen mens of dier ermee in aanraking dan kan dat verschillende gevolgen voor de gezondheid hebben. Krijgt iemand in korte tijd een hoge dosis binnen, dan spreekt men van acute vergiftiging. Dat kan dodelijk zijn. Krijgt iemand lange tijd kleine hoeveelheden binnen, dan is er sprake van chronische vergiftiging. Dat leidt op de lange termijn, bij zowel mens als dier, tot effecten op huid, lever, cardiovasculair systeem (hart) en zenuwstelsel. Ook kan het blaas-, nier-, huid~, long-, lever- of darmkanker veroorzaken. De mogelijke risico's waarover we het in deze brochure hebben houden verband met chronische vergiftiging.
3.2 Hoe kunnen mens en dier arseen binnen krijgen?
Arseen in water en bodem kan een probleem zijn als de mens de stof opneemt. Dat kan op twee manieren: via melk en vlees van vee of via consumptiegewassen. Grassen nemen uit de bodem arseen op. Eet het vee dat gras dan komt de stof in het vlees of de melk terecht. Wie daarvan eet of drinkt krijgt uiteindelijk arseen binnen.
Onderzoek van Else Sneller van de VU toont aan dat grassen arseen opnemen als dat in hoge concentraties in de bodem zit. Zij mat in grassen concentraties die ver boven de veevoedernorm (2 mg/kg droge stof) liggen. Dus is er direct gevaar voor de gezondheid van het vee. Hoopt het arseen zich in die dieren op dan loopt de vleesetende en melkdrinkende mens indirect gevaar.
Uit RIVM-onderzoek blijkt dat bij chronische vergiftiging arseen via de melk wordt uitgescheiden. Dat kan hier het geval zijn. Het vee neemt arseen niet alleen via grassen op. Ook als het uit de sloot drinkt, of als de boer zijn dieren slootwater als drinkwater (norm = 100 mg/1) geeft, of als hij slootwater gebruikt om het weiland te besproeien, dan kunnen de beesten de stof binnenkrijgen. Bovendien nemen de dieren bij het grazen wel eens een hap grond mee. Als mensen consumptiegewassen eten die van arseenhoudende grond komen, dan kunnen ze de stof binnenkrijgen.
In landbouwgewassen en gewassen van volks~ of moestuintjes kan arseen zitten. Van bijvoorbeeld haver, ui, biet, erwt, sla, andijvie en radijs is bekend of wordt verwacht dat die relatief veel daarvan uit de bodem opnemen. Deze gewassen krijgen nog een extra dosis als ze bijvoorbeeld besproeid worden met arseenhoudend slootwater.
3.3 Mogelijke risicogebieden in Noord-Holland
In de circa vijf kilometer brede strook tussen Hoofddorp en Ankeveen komt arseen alleen aan de oppervlakte bij kwel. Om als mens daarmee in aanraking te komen moeten in de kwelgebieden weilanden, moestuinen of landbouwgronden liggen. Kaart 1 geeft aan waar dat het geval is. Om het onderzoek overzichtelijk te houden is allereerst naar relatief grote geregistreerde volkstuinen gekeken (> 50 m'). Kleinere moestuinen kunnen weliswaar net zo goed gevaarlijk zijn maar het ging te ver om die allemaal te onderzoeken. Het arseenrisico geldt alleen voor stukken land die tot tien meter van een arseenhoudende kwelsloot liggen. Zo is globaal aan te geven waar de gezondheid van mens en dier risico kunnen lopen. Het gaat om ongeveer 70 km weiland en 130 ha volkstuin. Zoals uit de kaart blijkt zijn de grootste risicogebieden de Bovenkerkerpolder/Uithoorn, polder Groot Mijdrecht, Amstelveen, Groot Duivendrechtse polder, Oudekerkerplas en Holendrechter/Bullewijker polder en Horstermeer.
omhoog

4 Arseen in consumptiegewassen en grassen in Noord-Holland

4.1 De proeflocaties
In samenwerking met de VU en de Veterinaire Inspectie zijn in het risicogebied acht locaties onderzocht met als uitgangspunt het 'worst case'-scenario. Dat wil zeggen dat de plaatsen zo gekozen zijn dat de kans op hoge arseenconcentraties het grootst is.
Het idee daarachter is dat zo met een beperkt onderzoek valt aan te tonen of mens en dier risico lopen. Worden op deze vermoedelijk zwaarst belaste plaatsen geen verontrustende waarden gevonden, dan mag men veronderstellen dat die nergens in de provincie voorkomen. Vindt men die hier wel, dan kan men meteen een redelijke schatting maken van de grootste risico's.
De onderzochte plaatsen zijn vijf moestuinen in Weesp, Ankeveen, Nederhorst den Berg, langs de Randweg en midden in de Horstermeerpolder en in Amstelveen. Van de drie weilanden liggen er twee in de Horstermeerpolder en één in de Diemerpolder. Gekeken is naar de arseenconcentraties in de bovenste bodemlaag, in eventueel aanwezig slib, in het oppervlaktewater, in consumptiegewassen of grassen. De grond-, gewas- en grasmonsters zijn steeds in een lijn van de slootkant genomen.
4.2 Resultaten moestuinen, bodem, gewas, slib en water
Op de locaties in Amstelveen, Ankeveen, Nederhorst den Berg~Randweg en Weesp komen de arseenconcentraties in de bovenste bodemlaag (13.9-31,4 mg/kg droge stof) nergens boven de interventiewaarden (55 mg/kg droge stof). De concentraties in het slib (20,9~31,4 mg/kg) zijn weliswaar hoger dan in de bodem, maar blijven onder de interventiewaarden.
De concentraties in de gewassen variëren. De meeste bevatten geen hoge arseenwaarden (0,014-0,089 mg/kg droge stof). Maar voor kool-soorten, rabarber, andijvie en spruitkool ligt dat anders ( 0,55-1,27 mg/kg droge stof). Ondanks lage bodemconcentraties liggen de gemeten waarden daarin rond de bestrijdingsmiddelennorm (1,1 mg/kg droge stof). De concentraties in het oppervlaktewater zijn laag (7,8-9,1 mg/1) en blijven ver onder de norm (100 mg/1).
De Horstermeerpolder scoort flink hogere waarden. De bodemconcentraties liggen boven de interventiewaarden (4,6-130 mg/kg droge stof). Veel van de arseenconcentraties in de onderzochte koolsoorten liggen rond de bestrijdingsmiddelennorm. (0,19-1,12 mg/kg droge stof bij een norm van 1,1 mg/kg droge stof). De concentraties aan de oevers zijn steevast hoger dan verder van de waterkant.
4.3 Resultaten weilanden, bodem, gras en water
In de Diemerpolder blijven de bodemgehalten (0,9-4,7 mg/ kg droge stof) ver onder de interventiewaarde (55 mg/ kg droge stof). Het grasgehalte varieert van 0,07-0,85 mg/kg droge stof, waarmee het onder de veevoedernorm blijft(2 mg/kg droge stof). De arseenconcentratie in bovenste bodemlaag op de meeste plekken het oppervlaktewater (3,2 mg/1) is laag gezien de norm (100 mg/1). Ook nu wijkt de Horstermeerpolder af. De bodemconcentraties (27-166 mg/kg droge stof) liggen deels boven de interventiewaarde(55 mg/kg droge stof). De grasgehalten(0,43-0,95 mg/kg droge stof) blijven onder de veevoedernorm (2 mg/kg droge stof). In het oppervlaktewater is de arseenconcentratie(0,14 mg/1) laag en ver onder de norm (100 mg/1). Eerder onderzoek van de VU wees uit dat het gras wel hogere concentraties arseen kan bevatten op die plekken waar de grond zichtbaar verkleurd is door de slibafzetting.
omhoog

5 Discussie en conclusies

De Veterinaire Inspecteur heeft op basis van de resultaten van dit en eerdere onderzoeken een advies uitgebracht. Voor de verschillende functies van de bodem zijn er bijna geen problemen. Afgeraden wordt om vee te laten grazen waar de grond duidelijk verkleurd is door slibafzetting en om het vee te drenken met het slootwater. Op die plekken waar de bodemconcentraties boven de interventiewaarde van 55 mg.as/kg d.s uitkomen is met name het verbouwen van andijvie af te raden.
5.1 Moestuinen
De arseengehalten in de bovenste bodemlaag en het slib zijn op de meeste plaatsen nauwelijks tot enigszins verhoogd. Alleen de Horstermeerpolder overschrijdt de interventiewaarde. De resultaten zijn te vergelijken met die van eerdere onderzoeken van Peter van Rossum. Hij vond weliswaar op meerdere locaties hoge arseenconcentraties, maar dat was in diepere grondlagen.
Ook toen bleek dat de concentraties in de nauwelijks verhoogd waren. Wel lopen de arseenwaarden in de bodem erg uiteen. Op een kilometer afstand kunnen de bodemconcentraties arseen een factor tien verschillen. De gehalten in het oppervlaktewater zijn laag. Ondanks relatief lage bodemconcentraties vinden de onderzoekers opvallend hoge waarden in met name koolsoorten. Koolsoorten en sla kunnen arseen efficiënter opnemen dan tot nu toe gedacht. Uit ander onderzoekt blijkt dat ook waspeen, komkommer en graansoorten veel arseen kunnen opnemen. De Veterinaire Inspectie en het RIVM zien in de arseengehalten van consumptiegewassen geen direct gevaar voor de volksgezondheid. Beperkingen in het grondgebruik, zoals een verbod op consumptieteelten, zijn niet nodig.
Afgeraden wordt om met name andijvie te verbouwen en te consumeren op locaties waar de bodemconcentratie boven de interventiewaarde uit komt. De VU constateert dat er geen verband te leggen is tussen het arseengehalte in de bodem en in gewassen. Hoewel de arseenconcentratie in de gewassen nauwelijks boven de norm komt vindt de VU dat men voorzichtig moet zijn met het eten van groenten.
5.2 Weilanden
De arseenconcentraties in gras liggen onder de veevoedernorm
(2 mg/kg droge stof) en zijn geen probleem. Voor de arseenconcentraties in het oppervlaktewater geldt hetzelfde. De bodemconcentraties in de Horstermeerpolder zijn wel hoog (tot 3~4x de actiegrens van 55 mg/kg droge stof). Ondanks die hoge bodemconcentratie nemen de grassen het arseen niet gemakkelijk op.
Zowel de VU als de Veterinaire Inspectie zien daarom geen direct gevaar voor grazend vee. De VU merkt wel op dat het gevaar afhankelijk kan zijn van de hoeveelheid grond die de dieren binnenkrijgen. De Veterinaire Inspectie heeft hier echter in haar oordeel nadrukkelijk rekening mee gehouden. Zij raadt af om vee te drenken met het slootwater, aangezien zwevend slib in dit water hoge concentraties arseen kan bevatten. Ook moet voorkomen worden dat dieren daar grazen waar de grond door slibafzetting is verkleurd, aangezien eerder onderzoek van de VU uitwees dat grassen op die plekken wel hogere arseen~gehalten kunnen bevatten.
5.3 Wat weten we niet?
De VU-onderzoekers vinden het onderzoek te klein om definitieve uitspraken te kunnen doen. Zij noemen de effecten van seizoensfluctuaties op de opname- en transportsnelheid van arseen onduidelijk en adviseren een uitgebreider onderzoek, vooral naar koolsoorten van meer locaties, die verspreid over het seizoen bemonsterd moeten worden.

De Veterinaire Inspectie ziet graag vervolgonderzoek naar de overdrachtsfactoren. De Veterinaire Inspectie kan tuinders en veehouders van dienst zijn bij vragen en ongerustheid en eventueel extra onderzoek.

De vragen die de provincie had over het grondgebruik zijn beantwoord. Zij ziet geen aanleiding om het gebruik van de grond te beperken.
omhoog

 

Provincie Noord-Holland-
Rapport Afdeling Onderzoek